
Rip It Up and Start Again (Postpunk 1978-1984) (boek)
Jaar: 2006
Label: Penguin
These – antithese – synthese. Actie is reactie. In de jaren 70 had je de reactie van een jonge generatie op het getrut van hun pa en ma. En op het verwerpelijke hedonisme van de disco. En op de wollige cultuur van die tijd, op van alles en nog wat eigenlijk. Die reactie heette punk.
Nou was punk natuurlijk een reactie op alles wat ouderwets, mooi, verzorgd en verfijnd was, en dus moest punk vies en lelijk zijn. Zo, dat zal ze leren! Een boer en een scheet in c kleine terts. En op een gitaar kon je niet alleen spelen, je kon er ook op slaan. Het lijdt geen twijfel dat de punk baanbrekend werk heeft verricht voor een herijking van de (pop)muziek, maar tevens het pad heeft schoongeveegd voor de muziek die daar weer uit voortvloeide; want rond 1978 ontstond er zowel in Engeland als aan de andere kant van de oceaan een muzikale synthese, die veelkleurig en diepgaand was, en een wasdom voor de popmuziek markeerde. Welkom in de jaren 1978 tot 1984, de jaren van de postpunk.
Zodra je al deze muzikale ontwikkelingen echter in kaart wil gaan brengen, stuit je onmiddellijk op die adembenemende, maar voor een beknopte studie nogal buitensporige diversiteit van al die stijlen. Waar moet een mens in vredesnaam beginnen? Bij de intocht van Bob Marley? Bij de roots van de ska? Bij de introductie van de synthesizer in het poplied? Bij de doem, de teloorgang van de Sex Pistols?
Simon Reynolds heeft voor zijn nieuwe boek Rip It Up and Start Again (Postpunk 1978-1984) gekozen voor een nogal arbitraire tweedeling. Deel 1 beslaat de ontwikkeling van de postpunk, in deel 2 duikt Reynolds in de “new pop and new rock”. Die verdeling is enigszins chronologisch, of welnee, daarvoor zijn de ontwikkelingen toch echt te caleidoscopisch. Maar ik geef het je te doen, even zo’n overzicht samenstellen, er is natuurlijk ook geen absolute methode voor.
Inhoudelijk betuigt Reynolds zich als een ware kenner van niet alleen het genre, maar zeker ook van muziek in het algemeen. In 22 vlot geschreven essays komen nagenoeg alle subgenres aan bod: het aparte lemma Public Image Limited opent het boek, het ontstaan van de indie-muziek wordt onder de loep genomen, er gaat een hoofdstuk over de herrieschoppers van Gang of Four en The Mekons, de Sheffield scene met Cabaret Voltaire en Human League passeert de revue, Throbbing Gristle heeft z’n eigen chapiter, Joy Division wordt New Order, en ga zo maar door.
De verhalen zijn natuurlijk het leukst. Hoe ABC Trevor Horne had gevraagd voor de productie van hun plaat The Lexicon of Love bijvoorbeeld. Hoe ze Horne hadden proberen om te lullen met het argument dat hij, wanneer hij zou toehappen, in ieder geval in een paar landen een Top 10 hit zou scoren. Hoe de meesterproducer moest lachen om zoveel arrogantie, en van de weeromstuit ‘ja’ zei.
Hoe de Linn drumcomputer het geheime wapen was van Heaven 17. Muzikanten blikken terug op hun werk. Het boek stroomt over van de sappige verhalen, muzikale exegese en leuke citaten. Het legt uit hoe de eendimensionale motieven van de punk tot zo’n eruptie van creativiteit hebben kunnen leiden. Het legt uit hoe en waar de synthpop is ontstaan.
Rip It Up and Start Again is een standaardwerk, dat net zo goed kan worden gebruikt als naslagwerk. Het verhaalt en verklaart tegelijkertijd.
Rip It Up and Start Again is eveneens een hitje van de jaren 80 band Orange Juice. U weet nog wel, dat bandje van Edwyn Collins.

